
Wij maakten dit landschap niet, geen mensenhand kwam eraan te pas om majestueuze bergen te doen verrijzen tot wel 1.000 meter boven de vallei. Niemand boorde een bron aan en liet het water slingerend níet naar de kust lopen, amper 40km hemelsbreed hiervandaan, noch stuurde die het honderden kilometers de andere kant op, landinwaarts door kloven en ravijnen om het met de machtige Ebro te laten versmelten. Zou iemand bedacht kunnen hebben om steeneiken, pijnbomen, wilde roos, hulst en geurige rozemarijn in ontelbare aantallen uitbundig te laten groeien, overal waar het maar enigszins kan. En dieren te laten floreren, zoals dassen, zwijnen, wilde geiten en steenarenden, vale gieren tal van kleinere vogelsoorten die hun bescheiden omvang compenseren met hun verkwikkende harmonieën.
Dit alles om ons heen is zoveel machtiger dan de mens. Zoveel grootser en veelbetekenender. Wat kunnen we hier anders dan ons dankbaar laven aan al dat ons omringt en welkom heet. En het is de natuur, de evolutie, die wij hiervoor dankbaar moeten zijn.
En wat een geschenk ook dat deze bergen híer niets van waarde in zich dragen, geen goud, zilver of edelstenen. Het is slechts kalkmassief, glaciaal gevormd, gewelddadig geërodeerd, rauw gebroken of glad gepolijst, maar nog altijd oppermachtig onbegaanbaar. Het is een rijke natuur, maar met weinig waarde voor de mens en alleen daarom is hun échte, hun intrinsieke waarde behouden gebleven; de natuurpracht en een diversiteit en vitaliteit die ongekend is.
Rondje verscheidenheid
We lopen een gevarieerde route vandaag. Eerst door grotendeels droog bosgebied en heuvelaf. Nu eens omringen ons dennen en eiken, dan weer kleurt en geurt de bloesem van amandelbomen tussen olijfboomgaarden. We ronden drie bergen, die hecht aan elkaar verkleefd lijken en waar geen enkel pad in weet door te dringen. Eromheen is het enige dat kan.





Vrij snel komen we bij de Salt de Ferrasso, een waterval die als vanaf de rand van een schenkkan diep in een kloof omlaag stort. Meestal bekijk je zo’n cascade van onderaf, maar bijzonder genoeg zie je ‘m hier van bovenaf. Je kunt lopen tot aan de rand waar het water onder je in de diepte verdwijnen. Het is ongekend spectaculair en doodeng. We lopen verder, tegen de klok in en langzaam omlaag. Maar toch kijken we nog neer op Horta de San Juan, en natuurlijk op ons ‘eigen’ Arnes. De landerijen kleuren groen op het rood van de aarde. Erdoorheen trekt de rechte streep van de A-231. Dan keert het pad zich naar het zuid-oosten en komen we bij de rivier die nu weliswaar vreedzaam kabbelt, maar die toch in staat moet zijn geweest de machtige kloof te etsen die Barranc de Vall d’Uixó heet; een van de pronkstukken van de hele bergketen. Het is een overweldigende beleving om hier tussen de kolossale rotshellingen aan de oever van dit ogenschijnlijk onschuldige riviertje te lopen, wiens kracht en potentie niettemin bij elke stroomversnelling voelbaar is. Het is het ultieme genot om je onder te dompelen in het ijskoude water van de Toll Blau, een klein kristalhelder meer tussen twee stroomversnellingen, waar het wateroppervlak soms en slechts heel even de hemel weerspiegelt om daarna weer in rimpelingen zijn ware aard te tonen.
Bewust lopen we langzamer in de kloof, genietend van het constante ruisen, gorgelen en kolken van de stroom en van het fluiten, tsjilpen en zingen van de vogels. Als we dan tóch, sneller dat je zou willen, westelijk moeten afbuigen, terug naar het beginpunt, komen we opnieuw in een natuurlijk dennenbos te lopen. De grond is hier zachter door dennennaalden en vergane vegetatie. De rozemarijn bloeit alom, en we zien en ruiken ook een vroege vlierbes. Onder de bomen is het koeler, maar de stijging is soms sterk, dus we hebben het warm genoeg.











10,5 kilometer wandelden we en veel meer dan 200 meter hoogte hoefden we er niet voor te overwinnen. Elke meter hoogte én afstand was schitterend.

0 Comments