Albarracin, zondag 22 februari

Soms vragen we ons af, doen we niet teveel? We zien de meeste andere overwinteraars niet zo vaak op pad gaan. Maar wij voelen ons er wel bij. We beleven we elke dag weer zulke mooie dingen. Vandaag in twee delen.

Dagdeel 1: Los Pinares del Rodeno

Het beschermde natuurgebied Pinares del Rodeno is een overweldigend landschap van kloven en beboste hellingen met enorme rode zandsteenblokken omringd door geurige dennenbomen. Het schier oneindig aantal rotsblokken met zachte ronde vormen en veelvuldige erosiegeulen (dit is geenszins erotisch bedoeld!), maakt dit gebied het beroemdste en meest bezochte Spaanse boulderparadijs. 

Dat is fijn voor die klauterliefhebbers, maar vergeet niet dat dit gebied vooral zo bijzonder is omdat het on-Spaans rijk aan bronnen en waterlopen en geologisch gevarieerde gesteente met (onder meer) zandsteen, kalksteen en karst. De combinatie van (stromend) water en eroderende steensoorten schept oogstrelende panorama’s en vergezichten. En er zijn natuurlijk sinkholes, tafoni, alveoli, gnammas en Liesegan ringen. Én, nogal anachronistisch, een parkeerautomaat bij de voornaamste toegangsroute., die verrassend genoeg ook in de winter betaling verlangt.

Rotstekeningen

In elk geval zo’n 7.000 jaar geleden vond de primitieve mens het hier al fantastisch. Jagers-verzamelaars (in het epipaleoliticum en mesolithicum, de steentijd) gaven uitdrukking aan hun beleving met rotstekeningen van dieren en -heel zeldzaam- een mensfiguur met een boog. Ze maakten de schilderingen met minerale stoffen uit de directe omgeving in rood, zwart en wit en gebruikten veren van vogels als pencelen. In deze streken zijn vooral veel afbeeldingen van herten, stieren en paarden te vinden, wat doet vermoeden dat ze daar vooral op jaagden. Laten we ervan uitgaan dat de mensfiguur met boog een selfie is. (Zelf)kunst is van alle tijden.

Als de nietige wezens die we zijn, wandelen we tussen de blokken en rotsformaties, die soms wat weg hebben van huizenhoog opgestapelde pannenkoeken, dan weer meer reusachtige rode paardendrollen gelijkend. Het pad slingert door het bos, langs de verschillende vindplaatsen, waar de rotstekeningen met hekwerken zijn afgeschermd, wat bij mij toch de associatie met een dierentuin oproept. Die indruk wordt versterkt door een grote groep luidruchtige Spanjaarden, die onder leiding van gids met headsetmicrofoon en geluidsversterking over de volle breedte van het pad slentert. De bus hadden we op de parking al zien staan ja. Tjonge wat maken die mensen een herrie. De verleiding om ze achter de hekken in te sluiten is groot, maar inhalen is gemakkelijker, want ze gaan traag. Pff. Daarna weer genieten van kleur, geur en stilte.

Boulderen

Grappig genoeg zien we overal boulderaars lopen met dikke kussens op hun rug, maar zien we ze nergens boulderen. Kennelijk doet men dat bij voorkeur uit het zicht, zodat de argeloze toerist niet onverwachts over een verkreukeld lijk in een plas bloed hoeft te struikelen. Op enig moment zien we wel wat activiteit bovenop en tussen wat stapels giga-rotsblokken, dat is ongeveer boven het bordje waarop grafisch staat aangegeven dat klimmen hier niet mag. Ik vermoed dat die boulderaars uit de campers komen die op de parkeerplaats staan onder het bordje waarop staat dat campers daar niet mogen staan. Het is hoe dan ook een prachtige wandeling onder die geurende dennenbomen en over de rode zachte bodem, die aanvoelt als een dikke zachte vloerbedekking.

Op de terugweg, zien we vlak na vertrek een aantal boulderaars tussen de rotsen. Ik loop erheen om een kijkje te nemen. Het zijn goed fitte jonge mensen die in strakke lycra (vr) of in yogabroek en ontbloot bovenlijf (m) meer flaneren dan klimmen. Ze babbelen wat met elkaar, wijzen op onbeduidende kuiltjes in het steen, schuiven wat met de kussens en doen dan weer vier stappen naar achteren. Ik praat met enkelen van hen en verneem dat dit gebied wel een van de populairste van Spanje is. En dan zie ik er eentje die daadwerkelijk wat gaat doen. Hij hangt maar 20cm boven de grond, maar dan wel aan een paar vingertoppen. Pfff.

Dagdeel 2: Het Romeins aquaduct

We kropen door een Romeins aquaduct dat is uitgehouwen in de steile bergwanden van de Sierra de Albarracin. Het werd rond het jaar 100 van onze jaartelling aangelegd en het is een uitzonderlijk staaltje engineering. Het wordt beschouwd als het technisch meest gedurfde aquaduct van het héle Romeinse rijk. En als je van Teruel naar Albarracin rijdt, zie je het gewoon naast de weg slingeren. Wat?!?

25 kilometer

De Romeinen bouwden een dam in de Gualdalaviar iets ten noorden van Albarracin. Daar werd het water het kanaal in gelaten. Het moest 25 km verderop in Cella aankomen. Die vernuftige Romeinen wisten een kanaal aan te leggen dat deels op het aardoppervlak loopt, deels in de zijkant van steile berghellingen, deels onder het aardoppervlak (tot wel 60 meter diep) en deels, het laatste stuk, opgetild. Die laatste techniek is het meest bekend; de boogaquaducten. Maar dat zijn verhoudingsgewijs maar simpele constructies. Hier in de Sierra de Albarracin moesten ze met verschillende gesteenten en verschillende hoogtes navenant uiteenlopende technieken gebruiken. Over de hele lengte wisten ze precies wat het afschot moest zijn, zodat een gelijkmatige stroom het water in beweging hield. Er waren zijkanalen om water af te voeren (waarschijnlijk voor irrigatie daar) en er waren decanteerstuwen, muurtjes die het mogelijk maakten om verontreinigingen zoals takken af te voeren. De zwaartekracht bracht via het kanaal per dag 23.000 m3 fris water naar Cella. Het werd gebruikt voor consumptie en irrigatie.

Barranco de los Burros

En dat hebben wij weer, geluksvogels die we zijn, dat we per ongeluk de spectaculairste sectie bezoeken, namelijk die bij de Barranco de los Burros (de kloof van de ezels). Dat is een smal en erg steil ravijn, waar het aquaduct in de wanden van geel kalksteen is uitgehouwen. Om er te komen moet je een kwartiertje de kloof in lopen. Bergschoenen vereist en stokken geadviseerd. Waar de kloof zo’n beetje dood loopt moet je even flink klauteren en dan ben je op de hoogte van het kanaal. Hier is duidelijk te zien dat het aquaduct de slingerende berghellingen zo’n een tot twee meter in het binnenste van de rots volgt. Om de vijf tot tien meter is een venster (een lumino) aangebracht. Zo kon het mijnafval worden afgevoerd. Het kanaal is 170 tot 220cm hoog en 80 tot 125cm breed. Je kunt er gewoon lange stukken doorheen lopen. Kijk je door een van de lumino’s naar buiten, zie je de gaten in de berghelling aan de overzijde van de kloof. Er zijn ook een paar korte stukken waar het kanaal niet overdekt is, daar staan we in de brandende zon. Want het is heet in de luwte tussen de rotswanden. Je hebt er des te meer bewondering voor dat ze dit met louter spierkracht hebben weten te klaren.

Het stuk nabij Cella lijkt me ook de moeite waard. Dat is een sectie op de hoogvlakte zelf, waar het aquaduct ondergronds moet om z’n loop te behouden. Om het daar aan te leggen groeven ze verticale schachten, van waaruit ze in twee richtingen groeven om aansluiting te vinden bij de andere stukken. Hoe deden ze dat?

Mede vanwege de drukte op de terrasjes kiezen we ervoor thuis te lunchen. Als we halverwege de middag voor de caravan neerstrijken, in t-shirt en korte broek, zijn de meeste Spanjaarden al vertrokken en genieten we van de zon en de rust.

0 Comments

Comments are closed.