Albarrracin, zaterdag 21 februari
Het is waarschijnlijk een oververhittingsbeveiliging die de kachel uitschakelt. Maar we durven de gaskachel ‘s nachts niet aan te laten. Omdat het onder nul ging, was het ín de caravan 5,5. Het blijft lang koud ‘s morgens, want het duurt lang voor de zon boven de berg uit komt. Elektrisch duurt het veel te lang voordat we het warm hebben, dus stoken we weer wat gas en dan is het zo gepiept. Wij piepen niet, we zijn immers aan het overwinteren.

Vandaag rustig aan, gisteren verrassingen genoeg en onze kuiten zijn nog niet helemaal hersteld. Rond 11.00 lopen we naar beneden voor de Paseo fluvial de Guadalaviar. Ofwel, het wandelpad langs de rivier. Die Guadalaviar heeft in millennia door deze hoogvlakte een diepe slingerende kloof geslepen. Op het schiereiland in een van de haarspeldbochten van de rivier is Albarracin gebouwd. Het stadje is aldus aan drie kanten door steile rotswanden boven de snelstromende rivier ingesloten. Aan de enige landkant hebben de berbers de stadsmuren en het fort gebouwd. Een onneembare veste. Nu viel hier niet veel te halen in de zin van waardevolle metalen, edelstenen of landbouwproducten, maar het lag geografisch wel strategisch. Niemand minder dan de legendarische El Cid heeft er daarom om gestreden. Hij overwon, maar raakte gewond en overleefde het maar nét. In Albarracin wordt er misschien daarom nauwelijks over gerept, behalve dan dat de Camino del Cid er doorheen gaat.
Fluvio
Misschien treden we aan de oever van dit riviertje wel in de voetsporen van de onoverwinnelijk Rodrigo en zijn bende vechtjassen. Vanaf het waterpeil zo’n honderd meter omhoog kijkend langs de kale rotswand en dikke verdedigingsmuren, denk ik dat er vanaf deze zijde geen offensief heeft plaatsgevonden. Als je een kiezeltje naar beneden flikkert is het al een dodelijk projectiel. Op het hedendaagse pad vallen geen kiezels omlaag en het is aangelegd en beveiligd. Er is een (schommelende) hangbrug en waar de kloof te smal is, hangt het wandelpad aan de rotswand. Een leuke wandeling in een mix van natuur en cultuur.




Lekker weinig hoogteverschil ook, dachten we. Maar als je driekwart rond het stadje hebt gelopen, moet je over de rug van dat schiereiland heen natuurlijk. Steil omhoog het stadje in dus. Dat het woekeren met ruimte was is evident, zo dicht staan de huizen op elkaar. En de overhangende bovenverdiepingen zijn ook een direct gevolg van het (bodem)ruimtegebrek. Het is vandaag veel drukker met toeristen.





Murales
Als we toch aan het stijgen zijn, gaan we maar meteen door naar het hoogste punt van de verdedigingsmuur. Die werd door de berbers in de 11e eeuw gebouwd, maar door Peter de Grote in de 13e toch geslecht. Wat we nu zien dateert van ná die tijd, maar wel op dezelfde plek. Het berberfort stond waar nu de huisjes in het oude stadsdeel opeengepakt staan. Verlaat je de stadsstraatjes, is het meteen een pittige klim en bovendien niet gemakkelijk. Hier geen aangelegde route meer, maar door gebruik ingesleten paden van rolkeien, split en gruis op rotsige ondergrond. We prijzen ons gelukkig met onze bergschoenen en stokken. Vooral als we -bijna boven- een jong stel op gympen passeren, die de helling niet eens kúnnen nemen. Het is alsof ze met hun gladde schoenzolen over een sneeuwhelling naar beneden glijden.


Op de terugweg kopen we bij een klein bakkerijtje (de dubbele verkleining is gerechtvaardigd, want er is maar ruimte voor een dikke bakker, een toonbank en twee klanten) een vers stokbrood uit de houtoven. Als we dit bij de caravan nuttigen bakt ook de buurman iets lekkers, tenminste zo ruikt het. Nadat we daar complimenteus iets over zeiden, komt zijn vrouw even later een bordje brengen om te proberen: Arroz con cerdo y setas. Ofwel: rijst met varkensvlees en paddestoelen. Lekker hoor.
Geen fik
Het is overal hartstikke druk met weekenderende espanjolen. Dat is ook op de camping het geval. De een na de ander arriveerde vrijdag namiddag. We kregen de hierboven vermelde buren met een caravan, een overactieve vader, een snipverkouden Spaanse moeder, twee puberende jochies met voetbal en mountainbike en een hond. Om een uur of acht begint het erg naar open haard te ruiken. Wat blijkt; de onnozele hals stookt een kampvuurtje in z’n barbecue ín de vóórtent. Lekker warm, dat wel. En kennelijk kan het ook, want de boel ging niet in de fik.

0 Comments