L’Ampolla, dinsdag 10 februari.
Schreef ik gisteren nog over de heldhaftige reis van een zandkorrel, vandaag eerst een wat droefgeestig vervolg van het epos, alvorens het weer vreugdevol wordt.
Vermetele zandkorrels die de kust bereiken, ze zijn er niet meer! De Ebro is namelijk in het gareel gebracht, haar loop is deels gekanaliseerd en -het ergste- er zijn drie stuwmeren aangelegd. Die waterbekkens zijn voor consumptie, irrigatie en elektriciteit van levensbelang. Zeker. Maar het betekent ook dat de stroming in het water op drie plaatsen tot stilstand komt. In het kalme water van een stuwmeer zakt het slib naar de bodem en komt de reis tot een einde. Knappe zandkorrel die drie van dat soort hordes weet te nemen. Geen kans. Gevolg is dat de delta al jaren niet meer groeit, in tegendeel; zij kalft af. Want de onvermoeibare zee knabbelt en knaagt aan haar kustlijn en voert zand af dat vanaf de andere kant niet meer wordt aangevoerd. Het laagland wordt bovendien serieus bedreigd door de stijgende zeespiegel. Grote delen van de delta liggen al onder het Middellandse zeepeil en het is alleen dankzij dammen en kanalen dat de huidige omvang behouden blijft. Tot dusver.


De delta was lange tijd ontontgonnen gebied, woest, onherbergzaam en zelfs levensgevaarlijk. In de voorgaande eeuw overleden hier naar schatting 4.000 mensen aan malaria alleen al. Maar stukje bij beetje knechtte de mens de wilde natuur en zette hij grote stukken van het gebied naar zijn hand. Gelukkig is er nog veel (beschermd) natuurgebied over, maar de toekomst van de delta is onzeker.
Het maakt onze wandeling naar de vuurtoren van Fangar (Far del Fangar) er niet minder aantrekkelijk op. Het hele stuk ís namelijk beschermd. Bezoekers wordt gevraagd de duinen niet te betreden. Alleen direct aan het strand mag je lopen. De wandeling verschilt echt wezenlijk van die we gisteren aan de zuidkust deden. Aan de zeekant is veel meer achtergrond aanwezig in de vorm van bergen op het vaste land van Spanje en aan de baaikant is er de telkens veranderende aanblik van duinen, waarboven de lucht trilt alsof het al zomer is. Het zand onder onze voeten is meestal stevig en heeft een donkerder kleur dan de duinen. Maar soms ligt op het donkere stuk een grote lichtere plak, alsof daar een duin is lek geprikt en leeggelopen. Op het oppervlak ervan trekt de wind lange ritmische golven in het zand. Telkens als het hier stormt verandert het land, denk ik zo. Op de hellingen van de duinen zien we dezelfde windribbels, maar ook erosiesporen van regenval. Kennelijk stroomt hemelwater ook aan het oppervlak van zo’n duin omlaag, in plaats van alleen ín het zand te zakken. Het reliëf en de kleurverschillen verschaffen de meters hoge zandwand een bekoorlijke uitstraling, die nog versterkt wordt door vogelvoetstapjes die als colliers grillig tussen top en voet slingeren. Een paar meeuwen drijven op de warme luchtstroom erboven. Tussen de zandheuvels liggen platte zandstroken waarop zich alles heeft verzameld wat op de kust is aangespoeld. Helaas zit daar nogal wat afval tussen en dan komt de estheticus naar boven en zoek je naar composities die de ergste rommel buiten het kader houden.






Net als gisteren blijkt de wandeling wat korter dan geadverteerd: 4,15km (keer twee). Dus dat is een makkie, ofschoon we wat vaker dan gisteren door los zand moeten ploegen en zo nu en dan noodgedwongen een duin-uitloper moeten nemen, omdat die tot in de branding reikt.
De vuurtoren ziet er vanuit de verte weinig indrukwekkend uit, maar toch lijkt hij tijdens het lopen maar niet dichterbij te komen. Dat herkennen we als een veeg teken. Eenmaal aan de voet blijkt het toch een kolos van 20 meter hoog, die 12 nautische mijlen vér schijnt, dat is iets meer dan 22 kilometer. Het was natuurlijk de bedoeling dat het licht de schepen zou behoeden hier op het zand te lopen, maar de zandplak houdt zich niet aan die afspraak en verlegt met elk seizoen zijn grenzen. In de moderne tijd vertrouwen schippers op GPS en sonar.

En zo trekken we weer een paar uur op met de zee, die als speelse metgezel telkens een bruisende aanval op onze stappen doet en zich dan terugtrekt, talloze in het zand geblazen bubbeltjes achterlatend. Rappe drieteens strandlopertjes, verreweg de grappigste vogeltjes die er zijn, razen als bezeten op de holletjes af alsof ze elk belletje persoonlijk willen lekprikken. Maar het lijkt alsof ze hun pootjes niet willen nat maken, want voor elke golf rennen ze weer terug omhoog. En als wij té dichtbij komen, vliegen ze allemaal tegelijk op, alleen om tien meter verderop weer te beginnen met rennen. Er komt geen eind aan dit vrolijke ballet van mens en dier op het podium van het natte zand. De zon vindt telkens nieuwe openingen in het halfopen wolkendek en kleurt de zee soms zilver en dan weer alles tussen aquamarijn en turkoois. In de aanrollende golven zie je, vlak voordat hun golftoppen in tuimelende schuimmassa’s teloor gaan, de (argeloze) zandkorrels weer, die van de zeebodem zijn omhoog gezogen, alleen om opnieuw met geweld over het strand te worden uitgespreid. Wat een feest voor de geest. Ik wil elke dag wel een strandwandeling maken.




Op de terugweg stoppen we bij Restaurante Figueres, waar we vorig jaar een spectaculaire, veel te grote visschotel aten. Ditmaal kiezen we voor een paella mixta, die ook weer voortreffelijk is. Terug bij de caravan zetten we ons in het milde namiddagzonnetje, leest Corrine een boek en dommel ik genadig weg. Daarna een half uurtje op de gitaar (gelukkig met instemmende blikken van de buren) en een licht avondmaal; stokbrood, Manchego, Iberische ham, boquerones en een Veluwse hertenworst (dank je wel Valerie). Wat een fijne dag weer.

0 Comments