Ebriach, woensdag 20 mei
De Oostelijke Karawanken worden in tweeën gedeeld door de Periadriatische lijn. Het is dé breukzone tussen de Europese landmassa en die vanuit Afrika, waar de aardkorst miljoenen jaren omlaag en omhoog welfde en waaruit de Alpen ontstonden en nog steeds gevormd worden. Waar onze camping ligt, bij de Hemmaberg en de Petzen, zitten we in de Oostalpen aan de ene kant van de naad, feitelijk de noordelijke. Het rondje Slovenië dat we eerder maakten, met onder meer de Seeberg-pas, ligt in de Zuidalpen. Aan die kant gaat ook onze wandeling van vandaag. Door de Trögener Klamm.
Waar die Klamm precies begint is lastig te duiden. Heel de weg heet kilometers lang “Ebriach” en ergens moeten we linksaf tot het begin van de kloof. Ik laat mij daarom maar leiden door de logica en volg een riviertje. Waar een kloof is, moet immers ook stromend water zijn.
Zo komen we op een smalle asfalt-eenbaansweg met regelmatige passeerpunten en uithollingen in de rotswand om voldoende breedte te scheppen, en slingerend zonder zicht op wat er achter de bocht ligt. Tot we langs een bord komen waarop staat dat dit de laatste P voor de kloof is. Nog vóór we het verweerde informatiepaneel zien, overtuigt het geluid van het stromende water ons al van de juistheid van onze bestemming. Vergeefs zoeken we naar een route-aanduiding. Echter, een smal pad voert van de weg omlaag naar de rivierbedding. We komen langs een getrapte houten bron-uitloop en bereiken een verrukkelijk stukje wilde steenoever, waar het kristalheldere bergwater gulzig langs kolkt. Maar het pad loopt er dood en niets staat aangegeven. Speurend naar een doortocht glanst mij een fraai doorregen zware en zwarte kei toe. Zou het Obsidiaan zijn? Die moet natuurlijk mee voor een ere-plek in ons rotstuintje. Hij ligt een metertje van het droge af, maar het lukt om ‘m zonder nat pak te bergen, zonder te struikelen naar boven te torsen en in de auto te leggen. Wat dat ding weegt, kom ik pas thuis te weten. Daarna gaan we lopen op het asfalt, dat voor grootste stuk met vangrail en een kukelbalk voor tweewielige stinkerds is uitgevoerd.


De schatkamer van moeder natuur
De wanden aan weerszijden van weg en het water worden steeds hoger en woester, er zitten scheuren en barsten in waar bomen en struiken houvast vinden, maar niet altijd houden, gezien de hoeveelheid lange stammen die van de berg gestort zijn en als reuze-mikado stokken over het ravijn verspreid liggen.
We lopen stroomopwaarts, de weg stijgt geleidelijk en de waterloop ook, maar die blijft altijd een meter of vijf lager en komt nooit onder handbereik. Het is niet erg, er is zoveel variatie in het universum om ons heen dat we ogen en oren tekort komen. De rivier overstemt de vogelgeluiden, Obsidentify kan er niks van maken. Maar de geduldig bloeiende flora laat zich fotograferen en toont ons Zilverkruid, bloeiende wilde Judaspenning tussen Groot Hoefblad, tere Driebladige Anemoon, Amandelwolfsmelk en Rozemarijnpeperboompjes. Echt, het bestaat allemaal.





Vlak vóór het keerpunt voelen we een paar regendruppels en draaien we om, maar het is vals alarm. Daarom klauter ik lenig tussen vangrail en kukelbalk door, vind een weg naar beneden over een steile regenwaterbedding en bereik de schatkamer van moeder natuur.



Juwelen
Het is nauwelijks te bevatten dat we hier, op 700 meter boven de huidige zeespiegel, weer op voormalige zeebodem lopen. De heersende steensoort hier is Schlerndolomiet, gevormd uit sediment van een oude zeebodem 250 mln jaar geleden. De grijze kalksteensoort is vernoemd naar de Schlern, een immens woeste 2.563m hoge berg-uitloper in Zuid-Tirol met vrijwel verticale wanden, dik 300km ten westen van hier. Toen zich de Alpen kreukelden en plooiden door de botsende aardschollen, werden aardlagen omhoog geduwd in kronkels en breuken. Het riviertje Trögernbach sleet er in miljoenen jaren een diepe slenk door en dat maakte de verschillende steenlagen in de zijwanden zichtbaar. Naar gelang het seizoen is de Trögernbach nog steeds een kabbelende of een denderende stroom, die zich in de wanden vreet en vanuit daaruit gesteenten meevoert, waardoor het rivierbed zichzelf telkens opnieuw vormt. Die diversiteit toont zich niet alleen door de tijd heen, maar ook in de verschillende segmenten van de stroom. Het ene moment zie je immense grijze dolomietblokken, waar het water zich kolkend omheen werkt, tien meter verderop is het bekken zo glad als een badkuip en liggen er veelkleurige kiezelbanken en zandstroken in het leewater. Het heldere mineraalrijke water (want licht-groenig) vloeit onbedaarlijk, lichtvoetig bijna, over de gladgepolijste kiezels en keien en brengt de kleuren glinsterend tot leven. Behalve de glanzende diep-zwart-met-witte Obsidiaansteen, valt de rood-bruin-wit-gespikkelde Tarvisio Breccie op, die wonderlijk genoeg als fossiele steen gezien kan worden, omdat hij bestaat uit langer dan 250mln jaar geleden bestaande kiezelbanken – dus nog vóór de vorming van het omliggende Schlerndolomiet – die door tijd en compressie zijn gemixed en gemineraliseerd tot veelkleurige rots. Ik neem hiervan een kleintje mee. Maar alle stenen hier zijn stuk voor stuk schitterend om te zien en je moet er in het tuincentrum dik voor betalen. Hier kun je ze zo uit de bedding tillen.





Onze hele loop van bijna zes kilometer ruist, gorgelt en klokt het om ons heen. De kale wanden weerkaatsen het geluid in alle richtingen, de groenere hellingen dempen het juist. Op geen plek en geen moment is iets hetzelfde. Het is een bedwelmende symfonie uit steen en water, eindeloos voortdurend als een basso continuo, waarboven de stroomversnellingen als virtuoze solisten hun melodie laten uitzingen. Uitgevoerd in een kathedraal van natuursteen met wanden van woudreuzen waardoorheen het zonlicht schittert. Dat we lopen op asfalt en er zo nu en dan een auto voorbij komt, doet geen afbreuk aan de totaalbeleving van deze plek die al onze zintuigen prikkelt en behaagt.


1 reactie
Man o man, wat een mooi verhaal dat recht doet aan de juwelen in de beek. Herkenbaar, stenen meenemen. Wij doen dat voor het rotstuintje van onze oudste dochter. Iedere steen heeft een verhaal.
De foto’s vind ik uitzonderlijk mooi. Betoverend.